Vrijwillig…

Vrijwillig is een woord, waar veel betekenissen aan vast zitten.
Heel simpel betekent het, zonder dwang iets doen. Je gaat vrijwillig, zonder dwang, met iemand mee. Je werkt vrijwillig, zonder dwang, voor iemand.
Simpel allemaal toch?

Maar wat als de reden van het vrijwillig zijn, een noodzaak is. Hoe vrijwillig is het dan nog? En als je vrijwilligerswerk doet, wordt er van je verwacht dat je er op een bepaald tijdstip aanwezig bent, dat je een aantal uren inzet levert. Hier vervalt voor mij het woordje ‘vrij’ toch wel. Want je bent niet vrij in doen en laten, als je deze regels moet volgen.

Eigenlijk zou het moeten zijn, dat je iets willigt doet. zonder het woordje vrij erbij. Want je bent niet vrij om een half uur eerder of later te komen. Want eerder, dan kan het zijn dat je moet wachten, en later kan zijn, dat dat niet gewaardeerd wordt.

Ik heb een vrijwilligersbaantje gevonden. YEEY … ūüėÄ
Ik moet zeggen, dat ik vrijwillig doe wat er gevraagd wordt, want het is leuk.
Hoe is dit alles tot stand gekomen…?

Voor een dikke week terug kwam het moment… Ik ben er zat van niets om handen te hebben. Ik was er al over uit, dat regulier werk, niet wat gaat worden voor mij, en als ik iets wilde gaan doen, ik toch echt aan vrijwilligerswerk moest gaan denken.

Dit was wel een puntje voor mij. Want…!!! De meeste mensen weten wel, hoe het gaat in het vrijwilligerswerk gebeuren. Je krijgt dezelfde restricties als de werknemer die betaald krijgt. Je moet zowat hetzelfde doen, of juist de stomme dingen van zo’n baan. En je krijgt geen waardering. En er zijn maar een klein aantal baantjes, die wel leuk zijn. Waar vrijwilliger zijn, echt als vrijwilliger beleefd kan worden. Een persoon die zich in wil zetten voor de mens, en het ook zelf een beetje leuk wil hebben.

Ik ben dus het internet op gegaan, en via een vrijwilligerswebsite, kon ik een tig aantal ‘sollicitaties’ doen. De dag erna had ik al een afspraak met iemand, die een vrijwilliger zocht. En vier dagen later kon ik al beginnen.
Vanaf afgelopen weekend, ben ik in het weekend te vinden in het Tibet Museum.
Voor degenen die me persoonlijk kennen, dit is in het Rensenpark.

Ik fungeer als een soort manusje van alles, tenminste, zoals ik het afgelopen weekend heb meegemaakt. Ik heb Tibetaanse teksten op een doek geplakt. Ik heb bootjes en vliegtuigjes gevouwen van papier waarop Tibetaanse gebeden staan.
Ondertussen moet ik ook als een soort gastvrouw dienen, dat is wat lastiger, ik ben daar niet zo goed in. En gelukkig ben ik niet alleen.

Ik had ook nog de buurtbarbecue, en daar trof ik een buurtbewoner die me even aanhield. Ze zei, “joh, jij hebt toch voor vrijwilliger gesolliciteerd bij stichting kinderwens?” Ik zeg: “ja, dat heb ik inderdaad”. “Nou”, zegt ze, “dan heb je een gesprek met mij”. “Oh dus dat komt wel goed”, zeg ik zo. Wij allebei lachen.

En vanmorgen kreeg ik een telefoontje van de vrijwilligerswebsite, met de vraag of ik iets kon betekenen in pc’s. Het ging om het geven van een basiscursus voor beginnende pc gebruikers. Tja.. zei ik tegen de vrouw, eigenlijk ben ik daar wel een juist persoon voor. En ik legde haar uit waarom. Dat ik in de ict had gewerkt als support medewerker. En dat ik vaak mensen aan de lijn had, die me wisten te vinden, omdat ik altijd rustig en gemakkelijk iets kon uitleggen over een software programma waar ze mee moesten werken.
Dus daar heb ik ook ja tegen gezegd.

De rest moet ik nu afzeggen. Want ik heb mijn agenda voorlopig even vol.
De cursus pc, dat is voor een paar uurtjes, en lijkt een eenmalig iets te zijn. Maar we zullen zien.
Stichting kinderwens, dat weet ik nog niet hoeveel tijd daar in gaat zitten. Maar dat hoor ik binnenkort ook wel. Maar dat zal geen elke dag ding zijn.

En dit zijn baantjes die me wel passen. Er zit geen moeten bij. Geen vervelende dingen, als niets te doen hebben. Of juist zoveel verwachtingspatronen moeten vervullen, dat ik er weer onder door ga. Nee … dit geeft me rust, gek genoeg.
Niks geen onzeker gevoel, geen onrustig gevoel, geen angstig gevoel. Ze willen wel opkomen, maar het is meer oud gedrag dan dat ze nodig zijn. En dat maakt het lekker, fijn, rustig.

Dit wil niet zeggen, dat alle paniek en depressieve gevoelens weg zijn. Nope, dat gaat nog niet. Want de voeding is volop aanwezig voor paniek en depressie, namelijk … alles is weer es te nieuw … En nieuw is eng enzo, volgens mijn brein dan h√®. Want mijn aanwezige ‘ik’ vind het onzin.
Mijn onrustige ‘ik’, op de achtergrond, is van alles aan het uitleggen en vertellen, en wil dat ik in actie kom. Je moet het huis aan de kant hebben, je moet boodschappen doen, je moet wasgoed gaan wassen, je hebt geen tijd meer.
En die stem moet ik even (nou ja… even..?) tot rust brengen.

Een aantal mantra’s, affirmaties, of hoe je het ook wilt noemen, heb ik daarvoor gecre√ęerd. Ik zeg dan van alles in mezelf, zoals: ‘Laat het los’, ‘Het komt wel goed, als je het loslaat’, ‘rustig blijven ademhalen’… deze is dan ook vaak met een komisch accent, want je moet niet al te streng voor jezelf zijn.
Ik ben dan ook vaak cynisch naar het stemmetje toe. Dan zeg ik iets als: ‘ja hoor, nu in paniek modus, perfect timing, maar nou ff dimmen ja’…
Deze zinnetjes werkten in het begin niet zo goed, maar nu merk ik wel, dat ik er rustiger van word. Ik merk dat mijn brein begrijpt, dat mijn aanwezige ‘ik’ het ook wel eens bij het rechte eind heeft. Dat niet elke situatie, die onbekend is, paniek moet veroorzaken.

Maar het is geen paniek, dat zich uit in ‘paniekerig’ gedragen, of ‘paniekerige’ dingen zeggen. Het is meer het gevoel dat mij beheerst. Het gevoel dat wil, dat ik weg ga. Dat ik me uit een situatie haal, en meestal is dit door naar huis te gaan. Mijn veilige plek. Daar kan ik het minst geraakt worden. Daar kan ik de regie in handen houden. Daar kan ik mijn adem loslaten, en ontspannen.

Het heeft lang geduurd, voor ik het woordje paniek kon omarmen. Want paniek was voor mij iets negatiefs. Ik kon onmogelijk in paniek zijn. Want paniek was voor mij, een situatie, waarin iets heel ergs was gebeurd, en je niet meer wist wat te doen. Maar, ik had geen erge situatie meegemaakt, die paniek zou moeten veroorzaken.
En tuurlijk ken ik het gevoel van paniek wel, ik heb meerdere malen in een kort moment van paniek gezeten. Het moment voor dat je tot actie over gaat. Een moment dat chaotisch is, je probeert te zien wat voor je is, wat echt is, je probeert te bedenken wat je moet doen, en het is alsof al je kennis voor je is afgesloten, en het gevoel dat je overmeestert is onmacht, angst, paniek…
Dus, als dat mijn beredenering van paniek is, dan kan ik dus niet paniekerig zijn, omdat ik boodschappen moet gaan doen, want daar is niets ergs aan.
Mijn achtergrond ‘ik’ heeft daar een heel ander idee over.

Mijn voorgrond en achtergrond ik, dat heeft iedereen. De achtergrond ik, is je kennis en ervaringen en gevoel. Heel simpel gezegd. En die begint te praten, zodra er iets niet soepeltjes loopt in je leven. Je begint te piekeren. Je probeert van alles te verzinnen, om de situatie te veranderen. En het zijn vaak niet logische oplossingen, omdat je gewoon niet weet hoe je blijft doordenken, over iets, waar je net al tig oplossingen voor hebt bedacht. Dat stemmetje, is je achtergrond ik.
De achtergrond ik laat zich horen door gevoel en gedachten. Hoe meer je voelt en hoe meer je denkt (piekert) des te meer probeert je achtergrond ik de aandacht te trekken van je voorgrond ik.

Ik omschrijf het ook wel eens zo: stel dat je astmatisch bent aangelegd. Dan kan je in een rokerige ruimte gaan hoesten. Je wilt niet hoesten, maar je lichaam reageert op de rook, en wil dat je de situatie verlaat.

Dat is ook wat er gebeurd met een paniekerig gevoel. Je gaat vrijwillig een ruimte in, maar er zijn allerlei prikkels aanwezig, die ervoor zorgen, dat je achtergrond ik vindt, dat hij/zij paniekerig moet reageren. In je hoofd komen dan allerlei gedachten omhoog, en beheersen je hier en nu gevoel. En je voorgrond ik zucht weer es diep, en weet dat hij/zij een kleine ruimte aan tijd over heeft, om nog te doen wat nodig is, voordat de achtergrond ik wint.
Als dat gebeurd in een supermarkt, dan zorg ik ervoor, dat ik alleen het allernodigste nog in mijn karretje krijg en afreken, voor ik naar huis ‘vlucht’.

Gelukkig heb ik het gevoel al een stuk minder. Ik heb steeds meer regie over mijn achtergrond ik. De mantra’s helpen. Maar ook omdat het gevoel bekend is. Ik heb het al mijn hele leven. En het hoort bij mij. En het zal altijd aanwezig zijn. Deze acceptatie maakt het ook wat dragelijker. Depressie zal ook altijd aanwezig zijn, ook dat kan ik steeds beter accepteren. En ik weet nu hoe ik de balans hier in moet houden. En nu komt de tijd van ervaren. Kijken of het werkt voor mij, hoe voelt het voor mij om vrijwilligers werk te doen. Hoe integreer ik dit in mijn hele leven. Denk aan tijd voor vrienden en familie. Tijd voor huishouden. Tijd voor mezelf. Lukt het me om tijdig rust te pakken. Draaf ik niet te ver door. Zoeken van grenzen. En ok zijn, als de grens wordt overschreden.

Gastvrouw bij een museum is niet echt handig gekozen voor mezelf, wetende dat ik sociaal verbaal niet echt handig ben. Maar ach.. misschien vinden ze dat juist wel charmant…

Met een vriendelijk vrijwillige groet,

Mel

Advertenties

Het vliegende matras …

Ik herinner me ontzettend veel uit mijn kindertijd. En zelfs al op de leeftijd van twee en drie jaar. En waar ik nu woon ligt minder dan een kilometer van waar ik geboren ben (het ziekenhuis) en het adres waar ik met mijn ouders woonde.
Ik woon inmiddels 14 jaar in dezelfde wijk als waar ik mijn eerste levensjaren heb gewoond.

Toen ik net even naar de winkel fietste sprong de herinnering van het vliegend matras me in het hoofd. Ik was geloof ik twee en een half jaar. En op het grasveld bij de straat waren ze aan het vliegeren. Mijn herinnering is dat ik zie, dat ze een hele grote vlieger hebben, die lijkt op een matras, en er konden mensen op de lucht in.

Wat ik werkelijk heb gezien, weet ik eigenlijk niet. Ik vermoed zelf, dat het een grote vlieger was, en dat de stoere jongens probeerden omhoog te gaan door het touw vast te houden.
Ik herinner me dat iemand zei dat ze erop moesten gaan liggen. En dat alles heeft geresulteerd in mijn fantasie van het vliegende matras. In mijn herinnering heb ik een vliegend matras gezien.

Het was een mooie zomerdag, met een warme wind. En aangezien dit meer dan veertig jaar terug is, ook in een andere tijd. Want het was een tijd, waar je als klein drommeltje gewoon met de grote kinderen mee huppelde, en de grote kinderen zorgden er wel weer voor, dat we tijdig thuis kwamen.
Het ging meer automatisch, dan dat het verteld werd. Onbezorgde tijd.

Ook herinner ik mij mijn eerste grote boosheid. Oh wat was ik boos op mijn broer, en later op mijn mams.
Mijn broer ging naar de kleuterklas. En dat was vlak bij ons huis. En ik mocht hem als drie jarige ophalen. Toen ik bij de schooldeur kwam, zei de juf dat mijn broer met zijn fietsje via de achterdeur naar huis was gegaan.
Ergens wist hij dat ik hem ging ophalen, en hij leverde mij een streek.
Ik was zo boos, en ik weet hoe boos ik er toen uitzag. Ik heb foto’s gezien van mij als meisje, met korte blonde haren, en een rood bol gezicht. Rood van boosheid.

Ik kwam thuis, en zag mijn broer achter mijn moeder in de keuken staan. Maar mijn moeder lachte net zo hard als mijn broer. Toen werd ik alleen maar bozer, en ben ik naar mijn slaapkamer gegaan.
Later begreep ik wel, dat je ook wel moest lachen, als een drie jarig boos meisje binnen komt stappen. (Op de manier dat ik het dan deed, met de handjes in de zij)

Toen kwam de verhuizing. Ik begreep weinig van wat er gebeurde. Ik was bijna vier jaar. En er was èèn ding wat ik heel goed begreep. Waar we woonden, daar gingen we weg, en ik had geen flauw idee waar we heen gingen.
Dus om er voor te zorgen dat we niet gingen verhuizen, heb ik me verstopt onder de trap, achter een blauwe wasmand, met van die vierkante gaten erin, die vol zat met glaswerk in krantenpapier.
Geen flauw idee hoelang ik daar heb gezeten, maar ik zou me niet laten horen, en was erg vastbesloten.
Toen vonden ze me, ze hadden me niet echt gemist. En toen gingen we weg, en kwam ik nooit meer terug in mijn eerste ouderlijk huis.

Ik zou dus ook nooit meer naar Oma gaan, die nog in dezelfde wijk woonde.
Want waar ik ging wonen, kon ik niet zomaar naar haar toe lopen.
En dat was geregeld het geval, want ik moest vaak boodschapjes doen voor mijn Oma en voor mijn Mams.
Zoals een pot appelmoes brengen naar Oma. Het begon te onweren, maar ik was niet bang. Ik vond het een avontuur.
En soms ging ik met Oma mee om mijn Opa op te halen, die in een verzorgingstehuis was, en in het weekend thuis kwam. Mijn Opa zei nooit veel, maar ik vond het fijn om bij hem op schoot te zitten. Er was een bepaalde verbondenheid tussen ons. Geen woorden maar gevoel.

Maar ik herinner me ook, dat ik snoepjes aan het uitdelen was. Ik had een plastic tas gevuld met snoep dat bij de kassa stond. Voor hen die het nog kunnen herinneren. Er was een tijd, dat er bij de kassa bakken met snoep stonden.
En dan bedoel ik het als volgt. De bakken stonden in het pad waar je naar binnen en naar buiten gaat. Als je nu erover nadenkt, denk je; vrij onlogisch, eerst betalen, en dan een bak tegen komen met snoep of andere dingetjes erin.

Maar ook bleek wel, dat het voor kinderen niet logisch was. De bakken stonden niet in de winkel, waar je via het wel bekende poortje naar binnen ging, dus dan hoefde je er niet voor te betalen.
Ik ben met mijn zak vol snoep buiten op een muur gaan zitten, en ben toen aan iedereen snoepjes gaan uitdelen.

Toen kwam mijn moeder eraan. Ergens begreep ik al dat ik iets niet goed deed, maar ik begreep nog niet wat. Mijn moeder had de bedrijfsleider erbij gehaald, en die had voor de indruk naar mij, zijn witte chef jas aangetrokken. En toen werd ik streng toegesproken. Ik had gestolen! Je kon niet zomaar iets meenemen, je moest in een winkel altijd eerst voor alles betalen. Die les bleef me wel bij.

Ik ging, na de verhuizing, naar een peuterklasje. Een klein gebouwtje destijds. Maar voor mij was het een grote speelzaal, met planken vol met speelgoed.
En ze hadden grote blauwe trekkers. LEUK! En dat was gelijk ook een probleem. Blijkbaar was ik niet aardig. Want er waren twee trekkers, en op beide zaten jongetjes. Dat kon niet. Ik wilde ook! Maar ik kreeg een pop in de hand geduwd, die ik nijdig weggooide. Ik wilde niet met poppen spelen, ik wilde rijden op zo’n blauwe trekker. Dus ik heb een jongetje ervan afgeduwd.
Ik denk dat ik vaker dergelijke acties had, want ik werd voor straf naar de kleuterschool gestuurd. Ik moest manieren leren.
Dus om het hilarisch te zeggen, ik ben van de peuterschool af getrapt. Hihi.

Op de kleuterschool werd het eigenlijk alleen maar leuker. Ze hadden daar grote ijzeren karren met een houden bodem. En dan kan je achter het stuur zitten, en dan moest de rest duwen. Ik kreeg het wel vaak voor elkaar om te kunnen sturen.

Er was een hele strenge juffrouw, en een hele lieve non. Zuster Cecilia. Ik was gek op haar. En ik geloof dat ze ook wel gek met mij was. Zij heeft me vaak gered. Vooral een keer, dat ik een klasgenootje een gat in het hoofd had geslagen met een houten speelblok. Hij wilde puzzelen, en ik met blokken spelen. En mijn wil moest gebeuren, en hij wilde niet luisteren dus pakte ik een blok en sloeg op zijn hoofd. Zuster Cecilia had het zien gebeuren, en kwam de boel gelijk zussen, en vertelde de strenge juf, dat het per ongeluk was gegaan.

Nadat de jongen de jongen werd verpleegd aan zijn hoofd, waar best wel wat bloed uitkwam, nam zuster Cecilia me even mee naar het kleine keukentje dat er was.
Ze keek me lief aan, en zei toen heel zachtjes;”Je snapt wel dat dat niet echt kan h√® Mel”, ik begreep best wel dat ik had gedaan, en durfde tegen haar ook wel te laten zien, dat ik me wat schuldig voelde. Vond nog steeds toen wel, dat het ook de schuld van het jongetje was.
Ik geloof dat Zuster Cecilia heel goed begreep, hoe het in het hoofdje van een kind er aan toe ging.

Ik herinner me, dat zuster Cecilia lang ziek was. Ze was al weken niet meer in de klas geweest. En toen mocht ik met een paar andere kindertjes naar haar toe op ziekenbezoek. Erg indrukwekkend vond ik dat. Want ergens had ik het idee, dat zuster Cecilia wilde dat ik erbij was. Ik geloof dat een andere juf me dat had toegefluisterd.

Zij is dan ook een van de personen die ik me zo voor de geest kan halen. Haar bruine nonnen gewaad, met kapje, die met een wit randje was afgezet.
Voor haar deed ik alles. Moest ik stil zijn, dan was ik stil, en moest ik iets doen, wat ik niet zo leuk vond, dan kreeg zij het voorelkaar dat ik het toch deed.

Veters strikken kon ik al heel snel. Het was mijn doel, om dat zo snel mogelijk te kunnen doen, sneller dan de andere kinderen. Beter willen zijn dan anderen.

En dan had je nog het hele Sinterklaas gebeuren. Ik was geboren op 6 december net als de Sinterklaas. En hij verpeste altijd met mijn verjaardag. Niemand keek uit naar mijn verjaardag, maar naar Sinterklaas. En ik kreeg al cadeautjes, voor mijn verjaardag, en ook nog eens van de Sint. Het was te veel, het voelde onlogisch. Vaak ook veel zelfde cadeaus.
En er waren altijd weinig mensen op mijn verjaardag, want ze vierden Sinterklaas.
5 december pakjes avond, en op 6 december zat iedereen met hun cadeautjes te spelen, en hadden eigenlijk geen tijd voor een verjaardagsfeestje.

Ik had dus als klein meisje al moeite met sociaal doen. En toen kwam het, dat de Sint op de kleuterschool zou langskomen. En de juffen vertelden mij, dat ik waarschijnlijk bij de Sint op schoot moest zitten, omdat we allebei op dezelfde dag jarig waren.
Ik was zo boos, zo boos. Ik wilde niet bij een vreemde man op schoot zitten.
Begrepen ze dan niet, dat het een man was die Sinterklaas speelde? Ergens vond ik het allemaal wel spannend enzo, maar ik wist ook, dat iemand met een nep-baard, niet echt sinterklaas kon zijn. Het was niet echt een zeker weten dat het zo was, maar mijn gevoel vertelde me, dat wij echt niet de echt sint op school hadden.
Dus moesten de juffen alle zeilen bijzetten, om er voor te zorgen, dat ik niet het feestje voor andere kinderen zou verpesten.
En daar was Zuster Cecilia. Ze kwam bij me zitten, en vroeg me wat ik van de sint vond. Op een heel volwassen manier deed ze dat. Ze nam me serieus. En toen zij ze. Maar die andere kindjes vinden het wel leuk. En als ik dan samen met de juffen het spelletje zou meespelen, en even bij de sint op schoot zou gaan zitten, ik een mooie grote sticker mocht uitzoeken.

Dat ik een verantwoordelijkheid mocht dragen, en de sticker, ja, dat waren voor mij redenen genoeg om mee te doen. Al vond ik het niet fijn dat ik bij de man op schoot moest. Ik vroeg me steeds af, wie het was. Ik was destijds vijf jaar. Klein betwetertje.

Behalve dat ik me momenten kan herinneren, kan ik ook in gedachten terug gaan naar de kleuter school, en de klas voor me zien. Waar ik zat. Wat ik allemaal knutselde.
De weg naar de kleuterschool, eerst bij mam op de fiets, en later samen met mijn broer en andere schoolgenootjes lopend, is ook een route die ik me zo voor de geest kan halen.

Herinneringen van mijn eerste vijf jaar, en ik heb ze nog niet allemaal genoemd.
Mijn herinnering van de verplichte spuitjes. Dat ik niet wilde huilen, en heel stoer deed.
Mijn keel amandel verhaal, is ook eentje om uit te schrijven. En terwijl ik zo door mijn geheugen aan het graven ben, komen er meer herinneringen naar boven.

Ik vind het wel jammer, dat heel veel mensen dat zich allemaal niet meer kunnen herinneren. Als of ze geen kindertijd hebben gehad. Maar goed, ik heb altijd nog de mijne.

Met een herinneringsvolle en vriendelijke groet,

Mel

Iconen en Idolen …

Mijn eerste idolen waren muzikanten. Muziek was al gauw een belangrijk iets voor mij, en ik luisterde aandachtig naar het muziek wat ik leuk vond.
Bruce Springsteen was mijn eerste idool. Ik was 12 jaar, en kocht mijn eerste singeltje. I’m on fire van Bruce Springsteen. Daarna kwam A-ha en Guns ’n Roses.
Cindy Lauper was ook leuk, en Kate Bush. The Cure heeft ook nog mijn aandacht gehad. Ik zat met de top 100 van ’s ochtends vroeg, tot het laatste nummer met mijn radio met taperecorder mijn favoriete nummers op te nemen.
Ik schreef teksten van nummers op papier, door te luisteren naar het nummer, op pauze zetten, schrijven en weer verder luisteren.
Mijn Engels is daardoor wel goed geworden.
Mijn puberkamer was volgeplakt met allerlei posters van mijn favoriete artiesten.

En toch was er altijd een gevoel aanwezig, dat het niet goed was om iemand te adoreren, die je nooit zou ontmoeten. Het is een gedachte die in mijn pubertijd echt geworteld is.
Niet elke band had alleen maar mooie nummers. Dus als je een LP kocht, dan stonden er ook nummers op, die ik niet leuk vond. Dat vond ik zonde.
Ik heb ook niet echt een grote collectie met cd’s, die rond mijn 16e op de markt kwamen. De meest heb ik nog steeds, maar de meeste zijn cd’s die ik van begin tot eind mooi vind. En tegenwoordig luister ik de nummers via internet, en maak ik een lijstje met allerlei artiesten.
Bruce Springsteen staat er nog steeds altijd tussen. A-ha niet meer. Guns wel weer. Maar ook veel artiesten van vroeger, meer dan de artiesten van nu.
En af en toe kom ik weer een artiest tegen, die mijn gevoel inpakt, en ik weer een leuke nummer voor mijn lijst erbij heb.

Toch heb ik nooit begrepen, hoever sommige mensen gaan. Ze gaan helemaal op in èèn artiest, waardoor andere artiesten niet de kans krijgen om te laten horen, dat ze ook goed zijn. Deze mensen richten zich zo op èèn soort muziek, en kunnen daar helemaal in blijven, een leven lang.
Tot zover ok, want, als dat iets voor je is, prima. Wat ik zorgwekkender vind, is hoeveel ze willen weten over de artiest. Dingen die er niet toe doen. Ze willen weten hoe ze leven, wie hun vrienden zijn, wat ze doen. Maar waarom? Waarom wil je iets van iemand weten, waar je geen omgang mee hebt?

Maar de idolisatie van personen betreft niet alleen muzikanten.
We verafgoden mensen al eeuwen terug. We geven een persoon een karakter, door de beperkte kennis die we van ze hebben. Iets in ons zelf, zoekt iets, of vindt iets, dat prettig aanvoelt. En waardoor deze persoon belangrijk voor ons gaat worden. Of de persoon werkelijk bestaat, of bestaan heeft, of dat de persoon fictief is, we maken idolen van ze, we maken iconen van ze.

Maar waarom doen we dat. Waarom maken we van iemand meer, dan hij of zij werkelijk is. Wat zoeken we? Wat willen wij?

Het antwoord lijkt simpel. Het is iets wat ons goed doet voelen. En daar is ons brein gek op. Alles wat goed voelt, omarmen we.

Ik ben katholiek opgevoed. God was voor mij altijd een vraagteken. En toen onze pastoor begon te vertellen over Jonas en de walvis, begon ik het niet meer serieus te nemen. Dit was voor mij, een kind op de lagere school, niet mogelijk. Dit was een verhaaltje, een leuk verhaaltje, maar niet waar. Mijn geloof stond op de kantel, al was ik me daar destijds nog niet van bewust. Het was een gevoel. Ik had meer met de maan, die keek me ’s avonds aan, als ik in bed leg, en het gordijn een eindje open had, zodat ik met hem kon praten. Hem kon ik zien, God niet.

Inmiddels is mijn geloof in God nihil. Dat ging niet zomaar. Ik leerde op de lagere school, hoe belangrijk God en het geloof was. Ik werd zo gehersenspoeld, dat ik kinderen op de openbare school asociaal vond. Dat was niet omdat ik hen zo had meegemaakt, nee het was iets wat mij was verteld.

En daar lag al een probleempje, want ik vond het interessant. Ik wilde weten waarom zij anders waren dan ik. Wie waren zij, dat zij naar een andere school gingen, en wat leerden zij daar? Het trok mij aan. Ze zagen er niet anders uit. Maar ze waren wel anders !?!
Ze zeiden dat het protestanten en athe√Įsten waren. En met die mensen ging het niet goed in het leven. En ik begreep niet waarom het slecht moest gaan voor deze mensen.
De wetenschapper in mij was toen al aanwezig. Alles willen weten, hoe wat waarom…

Ondanks dat ik braaf heb meegedaan aan alle idolisaties en het maken van iconen, voelde het in mijn onderbuik nooit echt ok. Iets vertelde mij, dat dit niet ok was. Leuk om als tiener te fantaseren over een artiest, maar ik wist ook dondersgoed, dat ik dat nooit zou meemaken. Want ik was echt niet het enige meisje dat fantaseerde over een idool.

En met mijn twijfel over God destijds, wilde ik ook de bijbel van de Duivel hebben. Want dan kon ik vergelijken. Dat laatste is nooit gelukt, want mijn ouders vonden mij daar te ver in gaan. Hun angst was voor mij voldoende, om niet daar verder in te gaan.
En nu wil ik het niet meer lezen, omdat ik wel begrijp hoe iets geschreven kan worden. Niet interessant meer.

Maar Darwin daarentegen is weer iets anders. Deze man is een icoon geworden. Maar ik geloof niet, dat hij dat ooit heeft geweten. Ik heb eigenlijk nooit echt iets van Darwin zelf gelezen. Meer dat ik lees wat anderen vertellen over hetgeen wat deze man heeft geschreven. En toch wil ik nog iets van Darwin zelf gaan lezen. Staat nog op mijn bucketlist.
Voor mij gaat het niet om de persoon Darwin, maar wat hij heeft geschreven. Hij is de natuur ingedoken, en heeft opgeschreven wat hij heeft gezien.
Nu zal Darwin echt niet de enige zijn geweest, die op dat moment de natuur beschreef. Hij is wel de eerste die het gepubliceerd heeft gekregen. We kennen niet de mensen, die het niet hebben gepubliceerd, maar misschien wel betere inzichten hadden dan Darwin.

Maar als ik Darwin zeg, weten heel veel mensen wat ik bedoel. Hij was de man, die origin of species schreef. (Over de oorsprong der soorten)
Maar dat maakt hem niets meer dan een man. Hij zou geen icoon moeten zijn. Het is niet eerlijk en oprecht richting mensen, die hetzelfde hebben gezien en eventueel hebben opgeschreven, maar nooit de mogelijkheid hebben gehad dit te publiceren.
Ik zie het zo. Een man krijgt een bepaald pad in zijn leven. Elke dag gebeurd er iets, wat nieuwe kennis geeft. Deze verzameling van kennis komt samen in het brein, en er ontstaat een proces. Analytisch wordt er gekeken naar afwijkingen, overeenkomsten, gedragingen, en er ontstaat van al die losse fragmenten een compleet beeld. Al deze dingen schrijft hij op, en iemand anders komt in zijn leven, die het kan afdrukken.
Maar in plaats van zijn verzamelde kennis op een podium te zetten, zetten we de mens op het podium. Als of niemand anders had gekund wat hij had gepresteerd.

En toch is het belangrijk dat een mens, die iets heeft gepresteerd, een naam te geven. Want hoe hij tot de kennis is gekomen, is ook interessant. In welke tijd leefde hij, in welk milieu leefde hij, hij is hij opgegroeid.
En waarom zijn deze dingen dan belangrijk?
Als we weten hoe iemand tot een bepaalde vorm van kennis komt, en dit dan zodanig kan vertalen naar een compleet plaatje, dan hebben we een leidraad.

Laten we hiervoor Einstein nemen. Hij heeft de juiste ingredi√ęnten in zijn leven gehad, doordat hij vrijelijk naar een school kon, om deze informatie op te doen.
Daar waren andere, voornamelijk mannen, studenten, met wie hij gesprekken had. Deze gesprekken leverden weer nieuwe informatie op. Einstein heeft dus iets kunnen bereiken, door dat anderen hem van informatie konden voorzien, en hij deze in zijn brein kon omtoveren tot zijn bekende uitvindingen.

Iedereen die wel als idool of icoon zien, zijn niets anders dan mensen. Ze hebben een pad bewandeld in hun leven, die hen van informatie voorzag, die hen mensen op hun pad bracht, waardoor ze iets konden cre√ęren en publiceren en hun naam konden vestigen.
Maar het is zelden een publicatie dat een idool of icoon wordt, maar de mens.

Het is allemaal ego. En dat maakt het weer gevaarlijk. Want, hoe oprecht kan je zijn, als jij je door je ego laat leiden? Er zijn wetenschappers, die iets toege√ęigend hebben, wat een ander heeft bedacht. Ze hebben ‘waarheden’ beschreven, die nooit zijn gebeurd. Hun mening is waar, en onbetwist. Want ze laten deze niet betwisten.

De huidige sociale media wordt er niet beter door. Iedereen wil ineens de status van idool en icoon hebben. Ze proberen iets unieks te verzinnen, en hopen daardoor in de picture te komen. Maar waarvoor? Geld? Faam? Wil je voor veel geld een gevangene worden van de maatschappij? Zodra je een beroemdheid bent, ben je niet meer veilig. Je wordt ongevraagd bestookt met meningen van anderen. Alles wat je zegt, wordt vertaald door de persoon die het leest. Of je het nu wel of niet zo hebt bedoeld. Ben je echt bezig met dat wat je leuk vindt? Voelt het echt zo geweldig goed? Of wil je vluchten, zoals je eerst erin gevlucht bent? Op zoek naar iets wat goed voelt, om te kunnen leven?

De sociale media is eigenlijk ego media geworden. Reclames vertellen je, hoe het nog perfecter kan. Of het waar is of niet. Feiten zijn niet langer heilig als waarheid. Het is een chaos van leugens, onoprechtheid, egotripperij, wedstrijden, winnen, macht, waar de waarheden en oprechtheid, openheid van kennis, ondergesneeuwd worden door mensen die, vaak ook nog onbewust, meedoen aan deze manier van communiceren.

Ik denk dat we te ver zijn gegaan. We hebben oog verloren voor onze directe naasten. De mensen die we zien als we in onze eigen buurt wonen en leven. We kennen onze buren nauwelijks. Familie bezoeken, daar is geen tijd meer voor. We willen werken voor bedrijven met grote namen. We zijn onbekende individuen geworden. En hoe onprettig we ons ook als nummer voelen, we staan niet op. We maken geen vuist. We gaan iets doen, waar we ons goed bij voelen. We gaan idolen en iconen adoreren, en negeren het sociale probleem.

Er is niets mis, om naar iemand op te kijken. Het zegt iets over jezelf. Je ziet in de ander iets, wat je graag zou willen, of wat je herkent en interesseert.
Het is iets natuurlijks. Het is iets wat in ons zit. Op die manier maken we vrienden. We zoeken mensen, om ons veilig bij te voelen. Met wie we onszelf kunnen zijn. Met wie we iets van kunnen leren en andersom. Zij zijn de echte idolen en iconen in ons leven. En!… hier is echte interactie. We hebben echt contact met de ander. En we zien ook, dat een persoon een idool kan zijn, maar aan de andere kant ook lomperik eerste klas. Iets wat media idolen verhullen.

Ik denk niet dat het de bedoeling is van de mens, om zoveel online met mensen te zijn. En al helemaal niet, met de hoeveelheid mensen waarmee sommigen zich bevrienden. We hebben als mens, aandacht voor onze directe leefomgeving. En zodra we onze aandacht op meer dan dat gaan richten, stoppen we daar ook energie in, die we niet kunnen gebruiken voor onze eigen leefkring.

De aandacht ligt niet langer op de kwaliteit van een vriendschap. Het is alsof je jezelf tot een bepaald idool moet maken, om te voldoen aan een ander.
Jezelf zijn, is not done. En je hersenspoelt jezelf. Je gaat geloven in een vorm van jezelf, die jij hebt gecre√ęerd. En je kan je niet voorstellen, dat je op een andere manier, veel gelukkiger kan zijn.

Stel je een wereld voor, waar geen idolen en iconen bestaan. We leven puur met onze eigen leefomgeving. We gaan direct met de mensen om. De een mag graag muziek maken, en we luisteren allemaal naar hem, op een van onze gezellige buurtavonden. De ander kan goed schilderen, en zorgt ervoor dat iedereen wat leuks in huis heeft hangen. Weer een ander is goed in de tuin, en zorgt ervoor dat we te eten hebben.

Maar zo worden we niet opgevoed. We worden opgevoed met idolen en iconen. We leren nauwelijks echt iets over hoe we zijn als mens. We leren een keuze te maken om werk te vinden, zodat we geld kunnen verdienen, en alles kunnen kopen wat in de reclame folder staat, want dat is nu de trend. We beoordelen mensen op uiterlijke kenmerken en geloofsovertuigingen. Als je langdurig ziek bent, dan wordt je gemeden, als of dat besmettelijk is. Ongeacht waarom je ziek bent. Psychisch of somatisch.

En het lukt maar weinig mensen, om deze opvoeding in twijfel te trekken.
Maar weinig mensen maken zich los van deze opvoeding, om te iets anders te ontdekken. Het is een onbewuste angst, voor anders zijn. Je mag anders zijn, als idool of icoon, maar buiten dat, moet je niet anders willen zijn.

Ik zelf beleef deze angsten nog regelmatig. Ik voel me ook getrokken om ergens fel op te reageren, op een artikel in het nieuws, of op een persoon die in mijn ogen stom reageert. Maar wie ben ik om een persoon, die ik niet ken, de wind van voren te geven. Hij/zij weet totaal niet wie ik ben. Wie zien elkaar niet in het echt. Dus er is geen eerlijke communicatie.
Dus, als iets me boos maakt, dan moet ik gaan kijken naar mezelf. Waarom raakt het me, en kan ik er √ľberhaupt iets aan doen?

Als iemand in mijn directe omgeving iets zegt of doet, waar ik niet mee eens ben, dan kijk ik ook, wat ik er mee kan, en hoeveel het me stoort.
Ik heb grotendeels de zon in mijn tuin overdag, en daar heb ik mijn woning ook op uitgekozen. Dus de schaduw van de boom van de buurman irriteert me. Maar, we hebben nu de oplossing. We houden de boom zodanig gesnoeid, dat ik er weinig tot geen last van heb.
Maar daar is wel een tijdje over heen gegaan. Ik vind zoiets best moeilijk aan te kaarten, en heb daar wel een paar jaar over gedaan. Maar het is nu dan eindelijk toch goed gekomen. Ik was bang voor de reactie van de buurman, die nog wel es boos kan overkomen. Maar zijn nieuwe vriendin, snapte precies wat mijn punt was, en nu is alles klaar.

Iconen en Idolen zaaien een soort angst, die we nauwelijks in ons zelf herkennen. Het is een angst die vanuit meerdere richtingen kan komen.
Als een idool iets zegt over een bepaalde kledingstijl, dan kan dat bij iemand binnen komen als een waarheid. Als een idool zegt, dat paars en roze niet bij elkaar passen, en jij vindt die kleuren geweldig, maar jij bent opgevoed om te luisteren naar idolen en iconen, of je bent manipuleerbaar, dan kan dat wat doen met je keuze voor kleding.
Ik vind het dragen van een jurk nog steeds lastig in het openbaar. Ik kies voor mezelf eerder een broek, om me gemakkelijk te voelen.
Maar ik zie ook genoeg vrouwen, die zich comfortabel voelen in een jurk.
Mijn moeder heeft mij niet als zodanig opgevoed. Zij had graag gehad dat ik jurkjes en rokjes zou dragen. Maar ik heb iets meegemaakt, waardoor dat niet langer prettig voor mij was.
Ik ben ook best manipuleerbaar. Ik ben er gevoelig voor. Als ik iets zie, dan kan dat iets met me doen. Als er nu iemand zou zeggen, dat je geen kant meer aan je topje mag hebben, want dat is hoerig, dan zou ik daar moeite mee hebben.

Ik heb er een paar, en ik weet dat mijn brein daar wel even wat mee wil doen. Dus, ik zou me ineens ongemakkelijk kunnen voelen, als iemand me zag met een topje met kant eraan. Ik zou dan echt mijn best moeten doen, om dit gevoel te verwijderen uit mijn systeem. Uiterlijk is voor mij best belangrijk. Ook al wil ik dat niet. Het voelt niet goed, om in een oude joggingbroek te gaan winkelen.
Maar ik doe het juist wel, om mezelf te leren, dat het geen flikker uit maakt, wat je draagt, als je gewoon je boodschappen wilt doen.

Ik merk ook, dat als ik me kleed in de kleding die ik mooi vind, en waar ik me prettig in voel, ik me mooier voel. Niet vind, maar voel. En dan ben ik weer boos op mezelf, dat ik zo’n oppervlakkig gevoel heb, dat me goed doet voelen.
Maar het is geen oppervlakkig gevoel. Het is een oergevoel. Jezelf opfrissen, en fijn aankleden doet iets met ons. We willen dat uiten. En zoeken we mensen op.
En als we een goedkeurende blik krijgen, is dat ook weer prettig. Het lijkt erop dat we dat nodig hebben als mens.

Op dit moment zijn we de balans hierin nog kwijt. We zijn nog niet zover, dat we allemaal begrijpen, hoe we om moeten gaan met idolen en iconen.
We verliezen onszelf er nog steeds in. En we doen mee met de kudde.
Want ook als je weet dat je het doet, als je begrijpt dat het niet ok is, om onbekende meer aandacht te geven dan je directe omgeving. We worden goed geholpen door meerdere sociale podia en de mobiliteit van apparaten is ook niet echt bevorderend om een andere koers daarin te gaan varen.

Toch hoop ik, dat het een groter vlak gaat krijgen. Dat er meer aandacht wordt gegeven aan het vereren van idolen en iconen. Hoe dit negatief je leven kan be√Įnvloeden.

Met een vriendelijke groet,

Mel

Levensbeeld …

Ik ben nu van middelbare leeftijd. Tenminste, ik geloof dat dat wel zo is met 45 jaar. Als ik 90 jaar word, dan heb ik nog eens 45 jaar te gaan.
En ik kan terug kijken op mijn eigen leven. En hoe het is gegaan. Wat waren voor mij vroeger de belangrijkste dingen om te bereiken op de leeftijd die ik nu heb?

Ik heb in mijn leven verschillende ‘beelden’ van het leven gecre√ęerd. De eerste krijgen we automatisch mee vanuit de maatschappij. Huisje, tuintje, boompje, beestje. (Zo zeg ik het altijd) Als kind ga je er van uit, zonder er echt over nagedacht te hebben, dat je op zoek gaat naar een partner, om daar een gezin mee te stichten. Je gaat nadenken, over welk werk je wilt gaan doen, en alles blijkt mogelijk.

En dan kom je in de pubertijd. Langzamerhand wordt je richting volwassenheid geduwd. En hier begin mijn beeld dat ik had, te verkleuren. Nog steeds niet bewust, net als het beeld, het plaatje dat ik had gecre√ęerd, ook onbewust tot stand was gekomen.

Mijn beeld zag er ongeveer uit als dit:
Een goede opleiding volgen, na mijn HAVO, zodat ik ergens aan het werk kon, waar ik dan een vast contract kreeg, zodat ik een huis kon kopen op later termijn.
Ik zou eerst op mij zelf gaan wonen, en dan veel van mijn vrienden over de vloer hebben. Gezellig samenzijn na werk of in de weekenden.
Ik zou dan een baan krijgen, waar ik steeds een hogere functie kreeg, omdat ik bleef leren. En dan een goed loon zou hebben, om leuke dingen te ondernemen, of leuke dingen aan te schaffen. Ik zou dan iemand ontmoeten die echt bij mij zou passen. En we zouden dan kinderen krijgen. En we zouden ons huis zo verbouwen dat het praktisch, leuk, en helemaal van ons zelf was.
En met onze vrienden zouden we gaan raften of andere leuk vakanties samen ondernemen.
Ik had een koffie bar bedacht in mijn huis. Want ik ben gek op koffie.
En dan oud worden met mijn partner, waar ik mijn kinderen mee heb, die dan langs zouden komen, en vertellen over hoe zij het doen in hun leven.

Ik had ook bedacht, dat ik nooit zo hard zou werken als mijn ouders. Die echt 24/7 bedrijven runden. Ik miste hun, en ik zou er voor mijn kinderen wel zijn. Toch had ik een grote zorg. Ik wist dat het voor mij moeilijk zou worden. Ik was toen 15 jaar, toen ik deze gedachten kreeg. De gedachte dat ik het nooit 24/7 zou redden. Ik zou nooit zo kunnen zijn als mijn ouders. Altijd in beweging. Ik was toen al zo moe, en zo vaak.

Op mijn 21e ging ik op mij zelf wonen. En de eerste maanden waren leuk. Helaas wilde het vriendje, wat ik destijds had, ook bij mij inwonen. Gevoelsmatig wilde ik dat helemaal niet. Ik voelde het als beklemmend. Ik voelde een druk op mijn borst. Maar, je bent jong, en je gooit het op andere dingen.
Na twee jaar zat ik weer thuis bij mijn ouders. Alleen. En weer mijn grootste zorg, hoe zorg ik dat ik aan het werk blijf, zonder steeds zo moe te zijn? Ik begreep andere mensen niet. Die kwamen uit het werk, en gingen het huishouden doen, of in de tuin aan het werk, of naar een sportschool.
Als ik thuiskwam van het werk, ging ik op de bank liggen, en viel ik gelijk in slaap, want ik was zo zo zo ontzettend moe. En ik had op mijn werk heel erg mijn best moeten doen, om mijn ogen open te houden.

De juiste studie had ik nog niet gevonden, het juiste werk was nog niet in zicht, maar ik bleef doorgaan met leren en werken. En dat met vriendjes lukte ook niet echt. Ik voelde me alleen beter en sterker, dan met een partner. Ik was vrij, en vrij zijn voelde goed.

Toen kwam mijn ICT traject. Ik kreeg weer een vriend en ging samen wonen. Ik kreeg verschillende banen in de ict via detachering. Mijn vriend bleek niet de partner te zijn, waarmee ik oud wilde worden, en hij vond mijn vriendin ook leuker. Dus op mijn 30e kon ik opnieuw helemaal overnieuw beginnen.
Geen vrienden, geen huis, geen baan. En weer thuis bij ouders.

En daar was de draai weer. Ik kreeg een baan, en twee jaar later kon ik mijn woning kopen. Ik werkte en leerde. Probeerde mijn huishouden te doen, maar echt vrienden waren er niet. Wel collega’s waar ik wel eens mee optrok. Maar ik miste een vriendin. Een vriendin die ik door en door kon vertrouwen, en waar ik volledig mezelf kon zijn. En zij kwam toen ik 35 was. We zijn nu zo’n 10 jaar vriendinnen. We zijn ook achternichten. We kenden elkaar via verhalen, en toen we elkaar uiteindelijk tegenkwamen, was er de klik.

Op mijn 37 verloor ik mijn baan. Ik was te vaak ‘ziek’. Ik probeerde nog een heel ander soort opleiding, de zorg. Maar dat was dan ook mijn nekslag. In 2010 heb ik de handdoek in de ring gegooid.
Ik kon niet meer. En ik kon ook niet meer bedenken hoe het wel moest. Want, wat ik ook deed, ik bleef moe, had geen zin in werken, was te moe om naar familie en vrienden te gaan. En mijn huishouden verslodderde voor mijn ogen. Ik was het kwijt.
Ik koos ervoor om alles op het spel te zetten. Mijn huis, mijn principes, mijn trots. Ik besloot dat ik niets meer had, dan alleen mezelf. Ik zocht hulp, en liet hun vertellen. Ik luisterde en deed. Ik probeerde niet betweterig en moeilijk te zijn, maar open en buigzaam.

En mijn plaatje werd: 3 jaar psychische hulp, 2 jaar solliciteren, en dan ben ik weer aan het werk.

Het is nu 2018. Het was 5 jaar psychische hulp, 3 jaar op zoek naar werk, en nu ik wel stil moet staan, zie ik hoe beeldmatig aan de gang ben geweest.
Continu grip op het leven willen houden, door een beeld te cre√ęren en daar mijn focus op te leggen.

Dus… ik heb gefaald. Geen kids, geen partner, geen huisje tuintje boompje beestje. Geen werk.
Maar wat is daarvan waar?
En dan komt het beeld waar ik daadwerkelijk in leef.

Ik heb een eigen huis. Mijn eigen tuintje en beestje. Het boompje past niet, maar daarvoor in de plaats zijn er veel planten en bloemen.
Ik heb een paar vrienden. En ik merk dat ik veel vrienden niet eens zou aankunnen.
Maar dit groepje vrienden is me heel dierbaar. En ik heb gezellige visites van hun bij mij. Ik leef in een wijk, die een dorpsgevoel heeft gecre√ęerd.
De kinderen van mijn broer, vrienden, buren zijn de kinderen in mijn leven.
Ik volg hun capriolen en hoe ze hun eigen ik uitstralen.
Ik heb een autootje, en kan overal naar toe. Ik ben creatief, en vind het leuk om zo bezig te zijn.
En of er ooit een partner in mijn leven komt, ik weet het niet. Nog te vaak vind ik het prima om alleen te zijn.
Ik heb geen koffiebar, maar nu hoeft dat ook niet meer. Ik kan schenken wat iemand wil, koffie, thee of water (tja.. het is wel budget hier) En de meesten willen er toch geen koekje bij.

Vroeger had ik een beeld van alleenstaande sterke vrouwen. Ze trokken mij aan. Sterke vrouwen, ook wel de vrouwen die in een relatie zaten. Vrouwen die bewust waren van alles, en sterk in het leven stonden. Ze konden zwijgen, en hun blik vertelde alles of juist helemaal niets. Ze hadden 1 of 2 minnaren, die hun adoreerden. Ze hadden intelligente gesprekken met vrienden. Ze stonden anders in het leven, en het voelde voor mij goed.

Maar als iemand anders mijn leven zou schetsen. Dan zou dat aardig gelijkwaardig zijn aan die van de alleenstaande vrouw. Ben ik sterk, ik denk van wel. Ik heb ook vaak diepe interessante gesprekken met vrienden.
Het is dan geen raften, maar met een kajak in kanalen peddelen met je vrienden is ook wel erg leuk. Of dat mijn vrienden me meenemen naar Retro Pop terwijl ik in een rolstoel zit met een gebroken been.
De minnaars in mijn leven zijn dan niet persé de adonissen, maar zijn op hun eigen manier interessant, en hebben een speciaal gevoel voor mij.
Ik heb buren die me warm eten brengen, als er bij hun wat over is.
Ik heb een kleine functie in ons buurtje, waarmee we het leuk en gezellig maken voor ons buurtje.
En voor mij ligt een blanco toekomst.

Iets in mij probeert een beeld te cre√ęren, maar ik wuif het weg. Het gaat toch niet zoals je wilt, en je krijgt het soms op een manier, waarbij je eerst goed moet leren kijken om het te zien.

Het beeld is in het nu. Wat ik zie is wat is. En als morgen ineens alles anders is, dan zien we het dan wel weer. Het is nu…nu…!

Met een vriendelijke groet in de realiteit,

Mel

Volgen van een Rechtszaak ‚Ķ De uitspraak …

Vandaag was het dan zover. De uitspraak. Binnen 20 minuten was het voorgelezen.
Best snel. Ik had ergens het idee, dat het wel een uur of meer zou duren.
Maar de rechtbank heeft de belangrijkste dingen voorgelezen, en vandaar uit een conclusie getrokken.

Er waren drie scenario’s bekend. Er waren getuigen. Er waren deskundigen.
Maar er was geen duidelijke aanwijzing aanwezig, waar uit gebleken is, dat het om moord cq doodslag ging. Er wordt niet getwijfeld aan de oprechtheid van de getuigen of aan de deskundigheid van de deskundigen. Het is meer, dat niet vast gesteld kan worden, dat de verdachte daadwerkelijk een moord heeft gepleegd.

De verdachte is vrijgesproken.

Maar wat gebeurd er nu? Een rechtspraak maakt geen einde aan het gebeuren.
Er is nog steeds een kind dood, en die staat nu niet op, om te zeggen; “Ik weet wat er is gebeurd!”
Een vader gaat met verdriet naar huis. Geen schadevergoeding. Vrijspraak van zijn ex, de door hem verdachte moeder. Welke hulp gaat hij krijgen, of moet hij daarvoor net zo hard vechten voor hulp, als hij voor zijn kind heeft gedaan?

En de verdachte moeder, is niet langer verdacht. Ze is per onmiddellijke ingang vrij. Maar wat voor leven heeft zij nog? Ze zal altijd verdacht worden door mensen. Ze zal altijd geconfronteerd worden met blikken die vraagtekens hebben. Ze zal nooit zeker weten wat iemand denkt over haar verdachting. Dat doet veel met een mens. En daarbij zat ze al niet in een het makkelijke vaarwater des levens. Welke hulp gaat zij hiervoor krijgen?

Misschien is dat het wel, wat ik graag zou horen tijdens de rechtspraak. Dat niet alleen het vonnis wordt gegeven. Maar dat er ook na-zorg komt voor alle partijen. Want het gaat nooit alleen maar om de verdachte en de tegenpartij.

De rechtspraak is zo verfijnd, dat er overal een antwoord op te geven is.
Er wordt niets aangenomen. Een aannemelijke situatie is niet perse waarheid.
Als het niet kan worden aangetoond, rest niets anders dan vrijspraak.
Zwart – wit is dit eigenlijk. Kan het wel of niet worden aangetoond, dat een mogelijke situatie is gebeurd?

Het komt er een beetje op neer, dat een groep mensen alles heeft bestudeerd qua rechtszaken en de uitspraken. En van daar uit wordt de afweging gemaakt.
Ik heb gelezen dat er een vorm van empathie bestaat bij de rechtbank. Hier gaat het dan om, dat de rechtbank zich kan voorstellen, dat als je in een bepaalde situatie zit, je andere keuzes kan maken. Dat je anders reageert. Maar het blijft een zwart/witte uitspraak, en daarmee is de kous af.

Als ik kijk naar de rechtspraak in Nederland. Dan zie ik mensen, die een goed betaalde baan hebben. Zich boven anderen stellen (ook gevoelsmatig). Want zij hebben de wetten geleerd, en zij kennen de rechtspraak. Ze hebben een bepaalde houding, attitude. En het spreekt mij niet aan. Ik houd van openheid en gelijkheid. Omdat iemand niet alles begrijpt, hoeft dit nog niet te betekenen, dat zijn of haar mening onjuist is.

Maar ik begrijp ook dat deze openheid en gelijkheid nog niet mogelijk is. We zouden dan eerst moeten begrijpen en leren, dat wraak geen goed emotie is. We willen iemand pijn doen, die ons pijn heeft gedaan. Een oergevoel, dat iedereen wel kent. Jij slaat mij? Dan sla ik jou! Dit behoren we dan als kind zijn af te leren, maar dat gebeurd niet. Want we leren niet, waarom het niet oke is, om gelijk terug te willen slaan. We vragen ons niet af, waarom iemand ons slaat. Misschien hebben we hem of haar wel al eerder geslagen, zonder het door te hebben. Want slaan die we niet alleen met handen, maar ook met woorden en uitdrukkingen met handen en met gezichtsmimiek.

Zolang er nog mensen zijn, die vinden, dat ze voor eigen rechter mogen spelen, kan er in de rechtspraak niet veel veranderen. Ze vinden de rechts uitspraak niet juist. Ze voelen iets anders, en willen dit gevoel rust geven. Ze hebben nauwelijks door hoe be√Įnvloed ze zijn, door mensen uit eigen omgeving, of door het lezen van reacties in de ‘sociale’ media. Deze mensen zijn eigenlijk net zo gevaarlijk als een verdachte. Dit is iets wat we inmiddels wel weten door allerlei verhalen die te lezen zijn in de media.

Ik denk, dat als je als rechtbank zijnde, moet gaan nadenken over het vervolg. Wat kunnen we het beste doen met betrokken mensen, na een rechtsuitspraak.
Er zitten drie à vier reporters in de rechtszaal, hetzelfde verslag te geven aan verschillende mediabronnen. Terwijl er eigenlijk zoveel hulpverleners hadden moeten zitten, die klaar staan voor mensen, die in een emotionele situatie terecht komen. Mits ze er al niet in zitten.

Stel dat we zouden horen, dat een ex-verdachte een bepaald circuit in gaat, om de juiste hulp te krijgen, zodat hij/zij niet terug valt in oude gewoonten, dan hebben de ‘eigen rechters’ ook meer rust, en zullen minder snel een actie gaan uitvoeren, die de hele situatie alleen maar verergerd.

Stel dat we zouden horen, dat er hulp is voor betrokken mensen, en niet alleen de direct betrokkenen, maar ook die wat verder afstaan. Voor de mensen in de buurt, school, werk etc.

Oké, ik weet dat er steeds meer hulpverlening aangeboden wordt. Maar daar blijft het telkens bij.
Ik weet dat er veel mensen op een wachtlijst staan, die eigenlijk gelijk geholpen zouden moeten worden. Ik weet dat er veel mensen geen hulp aannemen, omdat ze weten dat het niet correct gegeven gaat worden. Ik weet dat er hulpverleners zijn, die niet weten, hoe ze iemand het beste kunnen helpen.
Deze vorm van hulp en zorg behoeft nog veel aandacht. Er moet beter opgeleid worden. Er moet meer informatie komen en gedeeld worden. Maar de eerste stapjes worden wel gezet. En dat moet ook gezien worden, want ondanks dat we nog een lange weg te gaan hebben, is het belangrijk om wel ergens te beginnen.

Ondertussen lees ik, dat het OM (openbare ministerie) in hoger beroep gaat tegen de uitspraak. Dus deze blog lijkt nog niet op zijn einde te zijn.

Vanavond op tv even kijken, wat zoal de reacties zijn over deze uitspraak.

Met altijd een vriendelijke groet,

Mel

Zoals het in je huis is, zo is je leven…

Je kan vaak wel zien, hoe iemand woont en leeft. Hoe de tuin eruit ziet, hoe het huis van binnen en buiten eruit ziet. Het geeft aan, hoeveel aandacht iemand voor zijn eigen thuis heeft.

Ik ben opgegroeid in een gezond gezin. En daarmee bedoel ik het volgende. Alles wat we nodig hadden was er, met hier en daar wat luxe. We hadden al vroeg een afwasmachine. Dat was toen best uitzonderlijk nog.
Er werd elke dag stof gezogen. Gordijnen en vitrage hingen er altijd keurig bij.
Nergens lag rommel. Papier en glas werd altijd al verzameld.
Zowel mijn vader als mijn moeder werkten. En mijn broer en ik leerden al snel de klusjes in huis te doen.
We kookten samen. We deden de was. We wasten ramen. We leerden het huishouden op die manier goed kennen. En we waren goed voorbereid om op ons zelf te gaan wonen.

Dit zie ik nog steeds terug bij mijn ouders. Een net huis. Strak in de lak. Meubels afgestemd op kleur en wens. Alles netjes, keurig, praktisch en opgeruimd. De woning van mijn broer is een duidelijke afspiegeling van mijn ouders.

En dan kom je bij mij. Zucht. Een ander verhaal.
Ik ging op mijn 21e op me zelf wonen. En toen begon ik al te merken, dat ik moeite had, om het huishouden zo te runnen, zoals ik het geleerd had.
Er vielen steeds meer hiaten tussen klusjes die moesten gebeuren. Daarnaast was ik druk aan het werk, en had ik daarnaast nog een studie. Mijn ouders deden dat ook allemaal, dus moet ik dat ook kunnen.

In tegenstelling tot het interieur wat mijn ouders hadden, heb ik altijd tweede hands spul gehad. In de hoop dat er een tijd zou komen, dat ik mijn woning ook kon inrichten zoals mijn ouders en broer deden.
Maar… nu sta ik stil en kijk ik rond. En ik herinner me mijn vorige woningen.
Het was altijd een samengesteld huishouden. Een mix van wat anderen ooit nieuw aangeschaft hadden, en zijn weg naar mij had gevonden.
En inmiddels heb ik zo een verzameling in huis staan, die mijn huis best leuk maken. En elk meubelstuk heeft zijn verhaal.

Een boekenkast die ik gekregen heb van een goede vriend.
Boeken die ik van vriendinnen heb gekregen.
Een stoel van een achternichtje.
Een paar meubelstukken die bij mijn ouders in huis stonden.
Een eettafel met stoelen, die ik van mijn kameraad en zijn vriendin heb gekregen.
Het lijkt wel een beetje een schilderij met verhalen waarin ik me begeef.

Uiteraard zou ik graag willen sauzen en verven, maar ik heb wat hulp daarbij nodig. En het materiaal natuurlijk ook.
En tuurlijk steekt het me wat, dat mijn broer en zijn lieve vrouw een nieuwe keuken hebben, en dat ze elk kleurtje verf kunnen kopen die ze willen.
Maar als ik daar in blijf hangen, dan wordt ik jaloers op onzin.
Want het komt wel goed.

Het huishouden doe ik nog steeds niet zoals vroeger. Elke dag stofzuigen zit er echt niet in, huisdieren of niet. Maar ik heb het mezelf wel zo makkelijk gemaakt, dat alles goed schoon te houden is, en dat het zo min mogelijk rommelig is. En ik leer het steeds beter om dat los te laten. Het is niet erg, dat hier en daar wat ligt. In dit huis wordt geleefd, en dat is niet erg.
Want een huis, waar alles strak op zijn plek lig, daar word ik ook weer ongemakkelijk van. Dan krijg ik weer het gevoel, dat ik niets mag morsen, en gelijk alle kruimeltjes die vallen, op moet ruimen.

Ik zie in mijn huis, daar waar ik thuis ben, ook mijn leven terug.
Qua werk ging ik van de ene baan naar de andere. En toen kreeg ik een baan, waar ik gedetacheerd werd bij de ene naar het andere bedrijf.
Ik heb verschillende cursussen gevolgd, die psychisch gerelateerd waren, om mezelf beter te leren kennen. Zelf management, om het zo te noemen. En ook daar heb ik dus verschillende bedrijven aan gedaan.

Met vrienden ging het net zo, ze kwamen en gingen. Of ik kwam en ging. Door de jaren heen verschillende leuke vrienden gehad, en van sommigen vind ik het best jammer dat het verwaterd is.

Het huis waar ik nu woon, daar woon ik nu het langst, van alle adressen die ik in mijn leven heb gehad. En hier voel ik me thuis. Leuke buurt. Ik kan alleen zijn, en ik kan buren opzoeken door alleen al mijn voordeur uit te lopen. Perfect.

Ik heb nu een aantal vrienden die ik echt liefheb. Eentje komt elke week even bij me langs. Een ander belt me om de zoveel weken. Weer een ander woont naast me, en kletsen we wanneer we elkaar even in de tuin zien. Nog eentje, waar ik echt binnen kort naar toe moet. Vooral met dit warme weer, want ze zit nu op een camping.
Het zijn vrienden die begrip hebben voor iemand anders. Die niemand claimen, en je nog steeds verwelkomen, als je enige tijd uit het zicht bent geweest.
En elk van hun, staat net wat buiten het normale. Ze hebben allemaal een verhaal te vertellen, die anders is, dan zoals het zou moeten zijn. Oftewel, ze hebben geleefd en ervaren. En durven daar over te praten.

En als ik in mijn huis kijk, dan zie ik spulletjes die ik al meer dan twintig jaar heb. Dat waren destijds goede keuzes, en hebben een herinnering, en wil ik dus niet kwijt. En ze doen allemaal nog wat ze moeten doen, ondanks deukjes en andere kleine beschadigingetjes. Een rietenwasmand met een gat aan de zijkant, die een ex van mij erin heeft getrapt, omdat hij boos was.
Een gebarsten spiegel, die ik kreeg bij mijn slaapkamermeubels, toen ik zestien werd.
Een grijze afwasteil, die ik gekocht heb, toen ik op kamers ging wonen. Ik was geloof ik 19 jaar.
En juist die spulletjes maken mijn huis zo huiselijk. Gezellig.
En ergens wil het niet meer zo strak als bij mijn ouders of broer, maar wil ik juist de charme behouden, die nu gecre√ęerd is door het leven zelf. Mijn leven heeft ervoor gezorgd dat mijn huis er zo uit ziet, als ik ben.

Een zoektocht naar normen en waarden, en deze te veranderen door nieuwe inzichten. Vasthouden wat je lief is, loslaten wat niet meer werkt.
Accepteren wat nu eenmaal zo is, en veranderen wat je kan, om het beter te maken. Maar niet perfectionistisch. Omdat het leven dat nu eenmaal niet geeft.
Je kan niets plannen, het leven komt zoals het komt. Het water stroomt via de makkelijkste weg, waar weerstand het minst is.
Dus als ik mijn weerstand loslaat, en het leven over me heen laat stromen, zoals het wil, ik er meer uit zou kunnen halen. Dus dat is wat ik nu doe.

Ik kijk rond in mijn huis. Ik voel me thuis. Dit is mijn kasteel van herinneringen.
Een plant staart naar mij, een groene container overlever. Gered door mijn vriendin, en nu staat hij bij mij in huis.
Een televisie, die ik van een kennis heb die ging verhuizen. En ik heb haar meegeholpen haar huis netjes voor verhuur achter te laten. Twee weken lang. En daarvoor heb ik de televisie gekregen, want die van mij stond op knappen.
Een ladenkast, die ik op mijn 30e verjaardag van de ouders van mijn ex heb gekregen. Een dag erna heb ik de relatie be√ęindigd.
In de boekenkast staan twee soorten mysterie encyclopedie√ęn, die ik van een vriend/collega, heb gekregen.
Kinderleesboeken, die ik vroeger las, die mijn vader voor me had bewaard.
Mijn gitaar, die ik van mijn broer heb gekregen toen ik 17 was.
Een glazenkast, die ik van mijn peetoom heb gekregen.
Een authentieke houten reclame bord voor een mississippi boot, die ik van mijn peettante heb gekregen.
In mijn tuin liggen stoeptegels die ooit eens lagen bij een andere oom en tante.
In mijn la ligt een broodmes die ik van weer een andere tante heb gekregen.
In mijn kast staat een porseleinen gevlochten mandje met porseleinen fruit, die ik van mijn Oma heb gehad, nadat ze was overleden.
En zo kan ik nog wel even door gaan.

En nu ik stil sta, kan ik dat allemaal zien. Nu ik niet meer probeer te cre√ęren wat toch niet lukt, op de manier die ik zou willen, zie ik dat ik eigenlijk heb, wat ik altijd had willen hebben. Een gezellig huis met herinneringen. Ik ben er eigenlijk al. Goh. Wat een leuk besef.

Ik ga nu mijn tuin in, mijmeren over nog meer herinneringen die leuk zijn om op te roepen. Want is dat niet waar het leven omdraait. Hoe gezellig het we met elkaar hebben gehad? De herinneringen die we samen gemaakt hebben. Ik denk dat ik het begin te begrijpen.

Met een vriendelijke groet,

Mel

 

Volgen van een Rechtszaak … Het Requitoir …

Het OM (openbare ministerie) mag vandaag hun bevindingen weerleggen.

Er wordt een situatie geschetst hoe mensen in de zaal zitten. Ik lees dat de vader achter de verdachte moeder zit.
Ik vind dat vreemd. Ik zou er toch voor zorgen, dat de vader ergens zat, waar hij niet zo dicht bij de moeder zou zitten. Hij moet nu (lijkt mij dan) telkens naar haar achter hoofd kijken.

Maar goed. Het OM geeft aan, dat ze tot een conclusie zijn gekomen. Waarbij ze hebben gekeken naar allerlei aspecten die, na wat er is gebeurd met het kind, omhoog zijn gekomen.

Ze hebben gekeken hoe de moeder heeft gereageerd vlak na het gebeuren. Maar ook, hoe ze ervoor was, en hoe ze daarna heeft gereageerd.
Haar zwijgrecht wordt in twijfel getrokken. Haar alcohol gebruik wordt aan gemerkt. Haar beslissingen als moeder worden besproken.

Het OM geeft aan dat er drie scenario’s zijn, waarvan √®√®n het waarschijnlijkst is.
Ze stellen de moeder daarom verantwoordelijk voor de dood van het kind.

Ik persoonlijk had dit niet verwacht. Ik had verwacht, dat er meer bewijs moest komen voor het vaststellen van een doodslag.

De eis van de advocaat van de vader was; 30 jaar cel en 100.000 euro schadevergoeding.
De eis van het OM is; 10 jaar cel en 30.000 euro schadevergoeding.

Vanmiddag mag de advocaat van de moeder zijn pleidooi houden. Ergens mag ik die man niet. Stom eigenlijk. Ik ken hem niet. Zie hem alleen op een tekening van de rechtszaal. En lees wat anderen horen en op schrijven. En toch ben ik ergens bevooroordeeld. Misschien een indruk van wat ik heb gelezen. Misschien is het het verdedigingen van iemand die een ander kwaad heeft gedaan. Misschien is het hoe hij de vragen beantwoord, of de vragen stelt. Ik weet het niet precies. Misschien wel een combinatie van.

Het OM gaf wel reacties, waar ik op zat te wachten, en nog niet had gehoord. Bijvoorbeeld de twijfel over de acties van de moeder nadat wat er met haar kind was gebeurd. Waarom had ze niet geschreeuwd en gegild, en is ze niet gelijk naar haar kind gegaan.

Er wordt ook gesproken over de vader. Dat hij verantwoordelijk is voor deze rechtszaak. En het leed dat hij heeft gehad. En even is daar een emotie die de moeder niet kan binnen houden. Ze geeft aan, dat er niet zo doorgezeurd moet worden of de leed van die man. Ze wordt tot stilte gemaand en zegt sorry.
Toch heeft ze met die opmerking zich zelf nog extra gesneden.

Het OM heeft ook gekeken naar hoe ze zich gedraagt tijdens de rechtszaak. Dat ze, als er gesproken wordt over het moment van het overlijden van haar kind, ze naar de punten van haar schoenen kijkt. Iets wat ze tijdens de verhoren ook heeft gedaan. Hier wordt haar zwijgrecht dan ook in twijfel getrokken.
Ergens wordt er een andere zaak aangehaald. Die van Murray, waar zwijgrecht niet in het voordeel van de verdachte was.

Nog vijf minuutjes en dan mag de advocaat zijn pleidooi geven, hij geeft aan zo’n twee en half uur hiervoor nodig te hebben…
Eerst mijn kop koffie maar bijvullen…

________________________________________________________________________________

We zijn nu anderhalf uur verder. En veel dingen worden, door de advocaat van de verdachte moeder, weerlegt.
Hij vindt het onzin dat de vader geld krijgt. Te laat ingediend, en eigen keuze.
Hij is het niet eens met èèn van de deskundigen, en neemt veel tijd om dit vertellen.
Hij trekt twijfels over het gebruik van de media door de advocaat van de vader.
Hij geeft aan, dat zijn cli√ęnte geen herinneringen heeft van het moment dat alles gebeurde. Hierdoor zal het nooit duidelijk zijn wat er is gebeurd.

Ik ben nu vijf verslaggevers aan het volgen. Krijg daardoor wel een aardig idee van wat er werkelijk gebeurd in de rechtszaal. Doch het beeld mist nog steeds. En ook het geluid. De intonatie van sprekers. Hoe mensen kijken als de woorden van de spreker binnen komen.
Daarnaast ben ik me er ook wel van bewust, dat zitten in een rechtszaal dat een zaak als deze behandelt, veel meer impact heeft. Ik zit nu vrij relaxed met een kopje koffie, radio op de achtergrond aan. Af en toe wat andere dingen lezen, omdat het verhaal wat de advocaat aan het vertellen is wel erg lang duurt.

Denkend aan de advocaat van de verdachte. Dan moet je toch van een bepaald soort kaliber zijn. Ik denk dat ik het soort advocaat zou willen zijn, die voor recht gaat. Iemand die gebruik maakt van zwijgrecht, zal dus ook niet alles zeggen tegen zijn advocaat. Denk ik dan zo. En als de zaak dan ook alle waarschijnlijkheid heeft, dat mijn cli√ęnt het gedaan zou kunnen hebben, denk ik niet, dat ik in staat zou zijn hem zo goed mogelijk te begeleiden.

De advocaat vraagt om vrijspraak. Voornamelijk om gebrek aan bewijs.

Nu een pauze, en het laatste deel. Straks mogen alle partijen nog op elkaar reageren. En mag de verdachte nog een eigen woord spreken.

_________________________________________________________________________

De advocaat van de vader heeft nog het een en ander aangekaart, wat hij als ongepast vond bij een rouwende vader, waar de advocaat van de moeder een opmerking over had gemaakt.
Het OM geeft aan geen tunnelvisie te hebben in deze zaak, zoals de advocaat van de moeder had aangemerkt.
De verdachte neemt haar spreekruimte niet. Ze geeft aan alles gezegd te hebben. Dit laatste lijkt me zo niet waar… maar goed… zwijgrecht.
Over drie weken is er een uitspraak.

Poeh… best veel om over na te denken over √®√®n rechtszaak.
Er is geen onomstotelijk bewijs. Er is geen feitelijke waarneming van wat er is gebeurd. De geschiedenis is aanwezig, en ook wat er na is gebeurd heeft veel verduidelijkt. Toch is er geen bewijs over wat er precies is gebeurd.

Toch vindt het OM dat er duidelijk van doodslag gesproken kan worden, omdat alles daar naar toe wijst.

De advocaat van de verdachte geeft aan dat ze een moeder is en van haar kind houdt. Toch heeft nog niemand haar dat horen uiten. Ze had wel emotionele momenten tijdens de zaak, maar dit kunnen ook tranen zijn, getriggerd door andere emoties. In mijn optiek kwamen de emoties niet op het moment dat het nodig was, en juist op momenten dat het om haar persoonlijk ging.
Ze had in het laatste woord dit alles kunnen zeggen, maar ze geeft aan alles gezegd te hebben…

En wat denk ik dat de rechter gaat zeggen over drie weken? En wat vind ik zelf.
Ik heb geen idee wat de rechter gaat zeggen. Maar goed ik had ook niet verwacht, dat het OM doodslag als eis ging stellen. Dus dat wordt drie weken afwachten.

Wat ik zelf denk. Ik geloof dat de moeder verantwoordelijk is, door haar kind in een situatie te brengen, waar veiligheid niet meer gegarandeerd kon worden.
Ik vind de moeder niet in staat om zorg te dragen voor zich zelf, laat staan voor een kind. Hier kan ik niet anders, dan een deel van de schuld bij hulpverleners neer te leggen.
Het vermijden van het moment, dat haar kind is komen te overlijden, vind ik een groot punt van aandacht. Vooral hoe ze zich gedraagt bij het vermijden van dit moment.

Of de verdachte haar kind daadwerkelijk van het leven heeft beroofd, zoals wordt weerlegt in deze rechtszaak, is iets wat ik niet kan vaststellen. Het is een heel aannemelijk scenario. Maar kan je zoiets aannemen als zodanig?

Want als je heel kort uitlegt wat de volledige situatie is, dan gaat het om een vrouw die alcohol gebruikt, een verbroken relatie met de vader van het kind heeft, een moeizaam leven leidt, waarbij ze veel last heeft om dat goed te verwerken. En ergens is in een momentopname iets gebeurd, dat ze zich niet meer kan herinneren. Haar kind is er niet meer, en ze gedraagt zich er niet als zodanig naar.

Dit maakt haar uiterst verdacht bij iedereen. Daarvoor hebben we dan ook mensen die dit voor ons allemaal uitzoeken. En stellen we mensen aan, die met een nuchtere eerlijke blik naar een situatie kunnen kijken, en hier een beslissing overnemen.

En ergens gaat er iets niet goed, als de èèn vindt dat er vrij gesproken moet worden, en de ander vindt dat er 10 jaar cel nodig is voor de verdachte.
Best wel een verschil. De èèn vindt dat ze volledig veilig is voor de maatschappij, de ander niet. De èèn vindt dat ze gestraft moet worden, de ander vindt dat ze al meer dan genoeg is gestraft door het verliezen van haar kind.
De èèn ziet doodslag de ander ziet geen enkel strafbaar feit.
Wie heeft gelijk?

De verdachte heeft niet de beste kaarten in handen. Eigenlijk alleen maar kaarten die nog meer vraagtekens opwerpen. En ze houdt zich zelf stil.
Alles wijst naar haar. En doordat ze zich stil houdt, kan het zo maar zijn, dat ze juist daardoor veroordeelt gaat worden.
Poeh, ik zou nog geen minuut in haar schoenen willen staan.

Tot nu toe vond ik het een interessant gebeuren om het te volgen. De advocaat van de verdachte kwam me nogal over als de slechte advocaten in tv series en films. Het gebruik van cynische intonatie. Het denigreren van de beleving van de vader. Het verdraaien van woorden van deskundigen en hun kennis in twijfel te trekken.
Er zijn paar keer momenten geweest dat ik de man wel had kunnen slaan. Het kwam zo dom over. En dan vraag ik me ook af, van wat voor soort kaliber ben je, als je dergelijke suggesties doet, en uitspraken, alles om je cli√ęnt vrij te laten gaan. Dit lijkt op een spelletje.

Ik zit nu ook wel na te denken over een straf. Best lastig. Als we wisten dat ze het had gedaan. Dan was het niet zo lastig. Dan was het brommen. En daarna goeie therapie. En niet eerder terug in de maatschappij, tot je voor iedereen veilig bent. Als je al terug wilt komen in de maatschappij, want deze willen je ook niet. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar. Niet iedereen kijkt verder dan hun neus lang is.

Als ze het niet heeft gedaan, als zij in zich zelf net zo op zoek is naar het antwoord over hetgeen dat gebeurd is, dan heeft ze persoonlijke hulp nodig om haar wijze van het oplossen van problemen te veranderen in iets wat niet destructief is.

Ik kan wel boos worden dat ze niet wil praten, dat ze geen vragen stelt, dat ze niet zegt dat ze van haar kind houdt. Want dat zijn dingen die ik als persoon wil horen. Want dan kan ik zien of ze in het maatschappelijke plaatje van normen en waarden past. Want als je er niet in past, dan is er wat niet goed aan jou, en dat roept weer vragen op. En dat is allemaal vanuit mijn normen en waarden gezien.
En ondanks dat ik van mening ben, dat mijn normen en waarden aardig oké zijn, mag ik niet oordelen over de normen en waarden van anderen.

We weten nog te weinig over deze verdachte. Haar opvoeding is nauwelijks uitgelicht. Hoe haar ouders zijn/waren, is niet echt in beeld gebracht.
En zo zijn er nog veel dingen niet in beeld gebracht, die de situatie duidelijker zouden schetsen.

Dus in afwachting op …

Met een vriendelijke groet,

Mel